En toen had ik er twee…

Het is eventjes wat anders, de laatste twee weken van mijn 3,5 maand lange reis op Bali doorbrengen, voor de meeste toeristen hier is dat hun hele vakantie. Mijn verblijf is ook geen backpackershostel, hotel of luxe resort, maar het huis van bekenden. Een vriend van hen die op Bali woont rijdt mij rond en laat mij de mooiste plekken van Bali zien.

De dag van aankomst begon goed. Je vult een papiertje in dat je niets illegaals bij je hebt, je koopt een visum en loopt door de douane. Of niet, want na een goede drie kwartier gewacht te hebben mag je nog een formulier invullen waar niemand je iets over vertelt heeft. Rustig blijven, invullen en gewoon doen wat ze zeggen, want je weet nooit waarvoor ze je het land niet inlaten. Gelukkig kwam Kaman, mijn gids en chauffeur, mij ophalen zodat ik niet naar het huis hoefde te zoeken. Die avond heeft hij mij laten eten bij een van de mooiste plekken op Bali: Jimbaran. Voor mijn eerste avond schrok ik wel even van de prijzen, maar de dagen erna heb ik goed gegeten in de goedkopere eettentjes waar je voor twee euro een simpel rijstgerecht met kip en een drankje kan halen.

Na een goede nacht op een heerlijk groot bed zonder andere backpackers in dezelfde kamer en toilet naast de deur, liet Kaman mij Kuta Beach zien. Vlakbij het centrum en vol met toeristen op sommige plekken. Maar gelukkig is het strand groot genoeg om er ook rustigere plekken te vinden. In de schaduw word ik als overduidelijke blanke toerist regelmatig aangesproken of je wilt drinken, eten, een massage of gewoon een strandbed huren. Best grappig hoe dat gaat. ’s Middags reden we naar Sanur, een rustiger dorpje met een mooi klein strand en met minder toeristen. Lurkend uit een kokosnoot in je hand met uitzicht op palmbomen en de zee. Holiday on Bali! 🙂

Een vakantie zonder uitslapen bestaat niet, omdat je toch wat toeristische plekken wilt zien. De afstand naar Ubud is niet groot, maar snel rijden op de kleine wegen of op de grote wegen in de stad gaat niet snel. Het verkeer is sowieso een bijzonder fenomeen. Er rijden meer scooters en motoren dan auto’s op de weg. Die razen je links en rechts voorbij (je rijdt links op de weg) en die vinden de kleinste gaatjes tussen twee auto’s als ze haast hebben. Op zesbaanswegen rij je met vier naast elkaar, op tweebaanswegen moet je zorgen dat er altijd ruimte is voor een motor of scooter aan de linkerzijde. Gelukkig mag je ook toeteren naar anderen, en dat gebeurt vaak genoeg, bij voorbeeld als iemand teveel op jouw rijbaan rijdt, te langzaam gaat en een gaatje van 50 centimeter heeft laten vallen of je wilt dat iemand achterom kijkt.

In Ubud en de dorpjes daaromheen, soms weet je ook niet wanneer een dorp ophoudt, omdat alle huizen langs de weg zijn gebouwd, vind je veel winkeltjes met schilderijen en houtwerk. Erg mooi, maar niet iets wat ik in Nederland zo snel zal ophangen in mijn huis. Op de pasar (markt) van Ubud vind je de kleinere artikelen die je makkelijk mee kan nemen als ook de goedkope (namaak)kleding waar je gezellig op kan afdingen als toerist. Zelf ben ik er niet zo goed in, omdat omgerekend 7 euro al goedkoop is voor bij voorbeeld een t-shirt terwijl je er misschien ook 4 euro voor kan betalen. De verleiding om een Ballibong (in plaats van het originele Billabong) zwemshort mee te nemen kon ik niet meer weerstaan.

Vlakbij Ubud staat in een achterafstraatje, je moet weten waar je heen moet rijden, een arena. Niet voor sport met mensen, maar voor hanengevechten. Het is een traditie in het hindoeitische geloof, mijn gids is hindoe, en het is er ook erg druk om heen met kraampjes kleding en eten en allerlei gokspellen die gespeeld worden. Het grote geld wordt verdient met de gevechten zelf, ook dat is een belevenis. Zoals ik het heb gevolgd gaat het ongeveer zo: eerst worden door verschilllende eigenaren de hanen gekozen die het gevecht met elkaar aan willen gaan. Hierna staan de twee hanen tegenover elkaar om zich te bewijzen, hier vechten ze niet, maar tonen ze hun gevechtslust. Daarna worden er grote gokkers gezocht per speler en als die gevonden zijn, is het publiek aan de beurt. Je zet in op jouw haan met een bepaald bedrag en je probeert iemand te vinden voor de andere haan die met jouw bedrag accoord gaat. Wint jouw haan dan krijg je het geld van de andere gokker. De gokkers met veel geld zetten soms op drie of meer mensen tegelijk in. Het gevecht tussen de hanen kan snel voorbij zijn, maar het kan ook een tijdje duren waarbij de hanen opgejut worden om het gevecht weer aan te gaan. Erg interessant om te zien, maar waarschijnlijk niet voor iedereen weggelegd.

Die avond bezochten we GWK, een cultureel park met tempels, waar je in het theater een traditionele Balinese voorstelling kan bekijken. Het begint met een mannenkoor die typische klik-klak-geluiden maakt, moeilijk te beschrijven, en een verhaal dat wordt verteld door vrolijk gekleurde spelers.

Na een rustdag, waar ook Kaman zich in kon vinden, werd ik gereden naar een plek net buiten Nusa Dua. Of ik niet eventjes wat wil duiken, parasailen en jetskiën? Duiken sowieso, daar was dit ook een goede plek voor als niet-gecertificeerde duiker, maar dat doe ik zaterdag. Als ik nu dan ging jetskiën en ook het duiken gelijk wil betalen, kon de medewerker ook wel wat met de prijs doen. Dus dat werd een half uurtje jetskiën, maar ik had geen zwemshort want die had ik thuis gelaten. Gelukkig stond er ook een tentje met zwemkleding vlakbij, deze keer met de originele Billabong’s. Dus nu heb ik twee goedkope zwemshorts en een adrenalinestoot gehad op het water. Bij het middageten heb ik maar gekozen voor een toeristische toast met ei, tomaat en komkommer, want twee keer rijst per dag eten is nog niet mijn voorkeur.

Het echte Nusa Dua is totaal anders dan de rest van Bali. Het is een groot resort met keurig geplaveide voetpaden, grote groene grasvelden, bloembedden met balinese kunstwerken en zwaar beveiligd. Niet iets voor mij, nu als jonge backpacker, maar misschien over 40 jaar na mijn pensioen.

Op de punt van het zuidelijke schiereiland ligt Uluwatu. Een toeristentrekpleister met een tempel vol makaken (kleine aapjes). In het mooiere Monkey Forest, bij Ubud, leven ze ook, maar daar worden ze nog redelijk gevoed en zijn ze niet gevaarlijk. In Uluwatu leven de apen van de toeristen die alles laten rondslingeren. Zoals zonnebrillen, sleutels uit zakken, zakdoekjes, noem het maar op. De gids die jouw beschermt weet waar ze zitten zodat je niet gegrepen wordt vanuit een boom als je een foto van een tempel maakt. Daar waar je voor blijft in Uluwatu is de voorstelling die ’s avonds te zien is. In een amfitheater waar 300 toeristen in gestopt worden, hoorde ik een zelfde soort mannenkoor als in het GWK, maar iets groter van opzet en een grappige, witte (=goede) aap in de voorstelling. Vooral het zicht op de tempel is erg mooi.

Het is een wat lang verhaal geworden, maar de eerste dagen hier op Bali zaten dan ook propvol. Vandaag is het weer even rustig aan doen door in en rond het huis te hangen, foto’s te bekijken en sorteren en later wat internetten in het café aan de hoofdstraat. Voor de kosten van een kwartiertje in Australië kan ik hier trouwens 2 uur surfen, dus je kunt de foto’s uit Australiè, die je nog tegoed hebt, gauw* verwachten! 😉

* afhankelijk van snelheid

31 maart 2010 |

De laatste Australische dagen…

Vorige week zat ik zo’n beetje middenin de Outback, het weekend daarop in de stad Adelaide en na weer door Niemandsland gereisd te hebben ben ik weer terug in de beschaafde wereld.

Na het einde van de tour en wat rondhangen in Adelaide, het is een klein winkelcentrum met veel kledingwinkels, heb ik Kangaroo Island bezocht. Een eiland wat je gezien moet hebben, zegt men, maar ik had slechts één dag. Dus na wat reisbureautjes afgelopen te hebben bleek dat er slechts 1 aanbieder is met een dagtoer en die kost gelijk 250 dollar. Tegen de huidige koers, want die is sinds ik ben aangekomen begin januari flink gestegen, van 169 euro een mooi gat in het budget. De tour op zich was volgepakt, maar dat moet ook wel als je eerst 1,5 uur naar de veerboot reist, een uur over de overtocht doet en dat ook op de terugweg. ’s Ochtends vroeg bij het busstation zijn is dan ook een iets te normaal tijdstip geworden voor me. Nee, collega’s, ik blijf om 9 uur beginnen!

Op Kangaroo Island, genoemd naar de hoge populatie kangoeroe’s, maar die ik zelf amper heb gezien, bezochten we verschillende uitzichtspunten, een strand vol zeehonden – toepasselijk Seal Bay genoemd – en een roofvogel demonstratie. Best leuk allemaal, maar het nadeel aan die iets duurdere tours is dat er voornamelijk gepensioneerden in zitten. Naar mijn mening is het ook een fout van het reisbureau, omdat die wel dacht dat het voor een jong publiek was die de hoogtepunten van het eiland in rap tempo wilt zien. Ach, het is niet anders, ik kan nu wel weer een vinkje zetten op het lijstje van te bezoeken attracties.

De dag erna, ik kon gelukkig uitslapen, was de tweede dag van het Adelaide Sevens toernooi. Tussen 2 uur ’s middags en 8 uur ’s avonds werden er 22 rugbywedstrijden met teams van 7 spelers gespeeld die ieder slechts twee helften van 7 minuten heeft. Voor deze dag had ik een ticket gekocht en dat geld was het meer dan waard. Aan het toernooi doen 16 internationale teams mee en de verschillende supporters van die landen maken het een leuk evenement. Uiteraard zijn er de bekende rugbylanden zoals Frankrijk, Engeland, Schotland, Wales, Amerika, Australië en Nieuw Zeeland. Landen uit het pacifische gebied: Samoa, Fiji, Papoea Nieuw Guinea, Tonga, Niue en Japan. Maar ook landen waarvan ik het niet verwachtte: Kenia, Zuid Afrika en Argentinië. Een mooie mix die een zonnige dag erg geslaagd maakten. De winnaar van het toernooi moet je zelf even opzoeken, ik had slechts voor die zaterdag een kaartje en dat waren de poulewedstrijden.

Zondag vertrok om half 7 ’s avonds de trein Indian-Pacific vanuit Adelaide. Deze had ik al geboekt in november voor ik vertrok naar Australië en het was ook niet zo gek dat ik stoelnummer 1 had. Als backpacker heb ik de goedkoopste variant gekocht waar je je stoel niet in slaapstand kan zetten, hoogstens wat achterover, en waar je je eten aan boord moet kopen of zelf meebrengen. Ga je voor meer luxe dan betaal je met de duurste variant 2400 dollar (1700 euro) inclusief eten. De reis zelf is eerlijk gezegd weinig aan. Ja, je reist over het langste rechte stuk treinrails ter wereld, maar je stopt niet om er een foto van te kunnen maken. Ja, je ontmoet andere backpackers waar je je reisverhalen mee deelt en als je zin hebt de nacht doorhaalt. En ja, je stopt in een desolaat dorpje waar nu nog slechts 4 mensen wonen en het na de goudkoorts er dus mooi uitgestorven bij ligt. Overdag zag ik hetzelfde uitgestrekte landschap als een week eerder, maar in een ander deel van Australië. Het interessante deel met afwisseling vlogen we voorbij als het donker was. Terwijl het buiten lekker weer is, is het koud in de coupé. Gelukkig ben je niet de enige die amper slaapt, dit heb ik de volgende dag ook goed kunnen inhalen. Het was geen teleurstelling, maar mijn verwachting over ‘één van de mooiste treinreizen ter wereld’ was misschien iets te hoog.

Nu zit ik alweer enkele dagen in Perth. Een relaxte stad, rond de 30 graden (ik raak aan die temperatuur gewend inmiddels) en met leuke plekken waar je de dag door kan brengen. Zoals de gratis musea en bibliotheek, het winkelcentrum of de parken.

Morgenochtend vlieg ik voor mijn laatste vakantiedagen naar Bali, waar ik nog even een extra kleurtje en misschien wat toeristische attracties mee kan pakken. Het internetcafé zit er niet ver van mijn verblijfplaats, dus ik zal er vast nog wel een berichtje schrijven.

25 maart 2010 |